Stopformulieren en definitiekwesties

Vragen aan de minister van Veiligheid en Justitie voor het debat op 5 oktober 2016

woensdag 5 oktober 2016

Vandáág om 15.00 uur worden het onderzoek naar stopformulieren en het rapport Boeven Vangen van Twynstra Gudde én het onderzoek dat Brandpunt boven tafel kreeg besproken (https://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/commissievergaderingen/details?id=2016A03964) Hier twee opmerkingen voor de parlementariërs die dit gaan bespreken.

1. Het WODC-onderzoek is positief over de bijdrage van stopformulieren aan het tegengaan van etnisch profileren. In het rapport staat: "In de bestudeerde jurisdicties was etnische registratie door middel van stopformulieren steeds een (centraal) onderdeel van een pakket van maatregelen. Daardoor leveren de ervaringen in die jurisdicties geen robuuste onderbouwing voor de stelling dat de invoering van stopformulieren als zodanig disproportionaliteit bij staandehoudingen vermindert en het etnisch profileren bij pro-actief politieoptreden doet afnemen. Wel kan worden geconcludeerd dat een pakket aan maatregelen waarvan het stopformulier een belangrijk onderdeel is, etnisch profileren kan terug dringen en de effectiviteit van het politieoptreden kan vergroten. In zo’n context kan registratie van etniciteit bij staandehoudingen bijdragen aan de bewustwording bij de politie van het probleem van disproportioneel staandehouden, aan het bespreekbaar maken van het vraagstuk in de politie-eenheid en aan de onderbouwing van interventies van de politieleiding gericht op het terug dringen van disproportionaliteit." (p. 5).

De minister schrijft echter:
“Uit het onderzoek blijkt niet dat het gebruik van een stopformulier als zodanig disproportionaliteit bij staandehoudingen vermindert en het etnisch profileren bij proactief politieoptreden doet afnemen.” En laat de direct daaropvolgende zin uit de WODC studie opzettelijk weg.

Het effect van stopformulieren ‘als zodanig’ (dus als geïsoleerde maatregel) kan überhaupt niet cijfermatig worden aangetoond omdat het nergens als op zichzelf staande maatregel is ingevoerd, maar altijd als onderdeel van een pakket aan maatregelen.

De minister laat een cruciale zin weg uit de conclusie van het WODC rapport. Hij moet aangesproken worden op het selectief knippen/plakken uit het rapport, en op het feit dat de studie juist stelt dat stopformulieren, als onderdeel van een pakket van maatregelen, bewezen effectief zijn tegen etnisch profileren.

2. De politie zegt: “Profileren hoort bij het politievak, maar dat moet gebeuren op basis van een combinatie van factoren. Zoals tijd, locatie, voertuig en daderprofiel. In die context kunnen iemands uiterlijke kenmerken uiteraard relevant zijn. Dat is geen etnisch profileren. Maar louter op basis van zijn of haar uiterlijk iemand langs de kant zetten, deugt niet, is onprofessioneel, niet effectief en ondermijnt het vertrouwen van burgers in de politie.” (https://www.politie.nl/nieuws/2016/oktober/3/rapporten-onderbouwen-aanpak-etnisch-profileren.html)

Het discriminatieverbod van art 1 Grondwet houdt in dat het gebruik (door de politie) van kenmerken of criteria omtrent huidkleur of afkomst (‘ras’) alleen mag wanneer dat objectief te rechtvaardigen is. En die toets van de objectieve rechtvaardiging is heel strikt! Zie het Amnesty-rapport over etnisch profileren uit 2013. Uitgezonderd in een dadersignalement zijn er geen voorbeelden van situaties/profielen waarin selectie mede op grond van huidskleur of uiterlijk wel objectief gerechtvaardigd zou kunnen zijn.

De Kamerleden en de minister moeten hierover in gesprek gaan met de politie:

- Verwart de politie een daderprofiel wellicht met een dader-signalement?*
- Hanteert de politie niet een te nauwe definitie van etnisch profileren?
- Keurt de minister het goed dat de politie profileert op onder andere uiterlijk (huidskleur, afkomst)?
- Hoe verhoudt dat soort profileren - door de politie ook aangeduid als ‘vakkundig profileren’ of ‘professioneel profileren’ zich tot het discriminatieverbod?

Laat ons zien dat de Tweede Kamer streeft naar een politie die voor iedereen werkt!

* Een dadersignalement wordt opgesteld op basis van informatie verkregen uit opsporingsonderzoek naar een reeds gepleegd strafbaar feit. Het bestaat uit specifieke inlichtingen die in de richting kunnen wijzen van een mogelijke verdachte. Wanneer hiervoor concrete aanwijzingen bestaan, kan een dadersignalement onder meer verwijzen naar kenmerken als huidskleur, etnische afkomst of nationaliteit.

Een daderprofiel/criminaliteitsprofiel wordt opgesteld aan de hand van te objectieveren indicatoren en een analyse van een serie strafbare feiten, waarmee inzicht wordt verkregen in bepaalde vormen van criminaliteit en dadergroepen. Dergelijke ‘profiling’ is een legitieme vorm van politiewerk. Als een daderprofiel - in meer of mindere mate - kenmerken bevat die verwijzen naar uiterlijk, afkomst of huidkleur dan werkt dan werkt dat etnisch profileren in de hand. Selectie hiervan zal leiden relatief nog meer relatief (pro-actieve) staandehoudingen van onschuldige etnische minderheden.

« Meer blogs